Tegenwind

Tegenwind

Afgelopen week fietste ik buiten. Een straffe wind pal tegen bij de start van de tocht. Ik had ’s morgens thuis het weer bekeken op de app. Meestal bekijk ik de windrichting, zodat ik het rondje met wind tegen kan starten, om met wind mee huiswaarts te keren (eerst het zuur, dan het zoet). Op de app werd gewaarschuwd voor mist en mist betekent windstil. Dus vol goede moed trapte ik er op los. Wel registreerde ik iets meer weerstand en windgeruis in de oren, maar in mijn hoofd zat weinig tot geen wind, dus trappen maar…

Al snel moest ik mijn enthousiasme omzetten in realisme. Alhoewel ik in het begin nog behoorlijk snel over de weg vloog, kostte me dat allengs meer en meer moeite. Dit ging ik nooit de hele toch vol houden. Met het risico mij in de eerste tien kilometer op te blazen, moest ik iets minder hard gaan. Temporiseren dus, terugschakelen, tandje lichter en handjes los op het stuur. In het begin kon ik steeds een tijdje vrede hebben met het rustige tempo en het feit dat het landschap minder snel aan mij voorbij kwam. Maar iedere keer na een paar minuten sloop de versnelling er in en voor ik het wist was ik mezelf weer het snot voor de ogen aan fietsen. Om dan weer terug te schakelen, tandje lichter etc. Waarna ik weer langzaam harder ging.

Ik was aan het vechten tegen de wind. Ik had een andere verwachting, vond dat ik harder moest kunnen dan het ging, wilde niet te lang weg blijven, maar toch ook een flink stuk fietsen. Allemaal zaken die in mijn hoofd zaten en mijn fietsen beïnvloedde. Na een tijdje rustig ging ik weer harder, schoof ik naar het puntje van mijn zadel, verkrampten mijn handen en armen aan het stuur en begon ik weer met stümpfen.

Een goede oefening is het vinden van een soort zen. Niet meer vechten tegen de wind, accepteren dat het is wat het is en op souplesse, met een gelijkmatig tred rustig verder trappen. In mijn trainingen op de Taxc, waarbij ik afwisselend tussen Luik en Bastenaken trainingen doe, of in de bergen van Mallorca aan fietsen ben, leer je dat wel. Vechten tegen berg is langzaam sterven. Accepteren dat de berg er is, de weg omhoog lang en vervelend is en je niet steeds afvragen of na de volgende bocht de top daar is, fietst veel makkelijker. Frappant is dat mijn hartslag dan omlaag gaat, de trapfrequentie, het wattage en de snelheid ook omhoog gaan. Zolang je niet bezig bent met de top, maar accepteert dat er is wat er is, gaat het meteen makkelijker.

De zen vond ik niet deze dag tegen de wind. Na 25 km pal tegen de wind was ik gebroken. Plezierig was het allerminst. De kunst is dus om niet naar het doel te fietsen, maar vooral onderweg te zijn. Of zoals mijn moeder altijd zegt: “Het is het gaan dat telt, niet het komen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *